Auto importeren? Dat is geen sinecure

“Maar ik dacht dat je een boerenbedrijf in Adibela wilde beginnen,” vroeg Tante Cis aan haar neef.
“Klopt,” antwoordde Jos.  “Dat wilde ik ook, maar het lukte me niet om mijn auto te importeren. Auto import is very, very moeilijk in Adibela, tante.”

Tante Cis keek hem niet begrijpend aan: ”Hoezo dan jongen?”

“Luister,” zei Jos, “dan vertel ik je het hele verhaal.”

Jos Paalman bestudeerde voor de zoveelste keer de grote bromvlieg die over de pet van de beambte achter het loket liep. Jos had een hekel aan bromvliegen en hij had ook een hekel aan slaperige en onbehulpzame beambten achter een loket in het hete, bedompte kantoor van het Afrikaanse belastingkantoor van Adibela.  Het was dan ook geen prettige plaats om te wachten. Bij het kapotte raampje in de wachtruimte stond een soldaat in gevechtskleding met een ongeschoren gezicht die hem voortdurend venijnig aanstaarde. Vooral de karabijn die hij stevig in zijn stoere handen had geklemd, boezemde Jos ontzag in. Hij kon zich maar beter rustig houden. Twee uur zat hij hier nu al. Twee uur die hij had kunnen gebruiken om zijn veld te bemesten, zijn koeien te melken en inkopen te doen op de gezellige en verwarrende plaatselijke Afrikaanse markt. Maar hij moest nu eenmaal zijn auto door de douane halen en het importeren van een auto in Afrika is niet makkelijk.

Ze hadden hem in Oegstgeest al gewaarschuwd dat het importeren van een auto geen sinecure was, maar daar had hij om gelachen. Hij was tenslotte een gerespecteerde landbouwer en hij kwam toch zeker om de ekonomie van dit kleine Afrikaanse landje te helpen. Ze zouden blij zijn met hem en met zijn kennis kon hij de mensen nog het een en ander onderwijzen. Maar het importeren bleek toch een moeilijk verhaal.

Zijn auto stond nu al drie weken in het depot, maar ze hadden hem er pas vandaag van op de hoogte gesteld en nu mocht zijn glimmende Volvo er nog steeds niet uit.

“Formuliereh boss… We need formuliereh,” had de man van het kantoor hem in gebroken Engels verteld terwijl hij zijn schouders had opgehaald.

“Wat formulieren?” Jos had boos met verschillende papieren geslingerd waarop alle gegevens stonden, maar de man had hem grijnzend aangestaard met zijn blinkende witte tanden en tenslotte met zijn hoofd geschud. “Formulier 6B is er not.”

“Fortmulier 6B…? Nooit van gehoord?”
“Yes,” zei de man geeuwend. “Auto import alleen possebul with 6B.”

“Waar is dat formulier?” had Jos geschreeuwd, maar de man had net gedaan alsof hij niets hoorde.

Geld spreekt, Jos.

Jos herinnerde zich de woorden van zijn vriend Jaap die al jarenlang een boerenbedrijf onderhield in een Afrikaans buurland. Als je wat gedaan wilt krijgen moet je onder de tafel wat extra betalen.

Jos griste zijn portefeuille tevoorschijn en pakte er een bankbiljet uit en zwaaide het voor de ogen van de beambte die het biljet even bestudeerde. Toen stak de man twee vingers in de lucht.

Twee?

Jos zuchtte en trok een tweede biljet uit zijn portefeuille. De man nam het aan en pakte de telefoon op.

“We shall bellen met de hoofdkantoor,” zei hij met een grijns. Hij praatte even in het apparaat en legde de hoorn weer op het toestel. “You wachten. Auto import is very moeilijk.”

Dat was nu twee uur geleden. Het zweet druppelde van Jos’ hoofd. Boven hem draaide een roestige ventilator tergend langzaam in het rond en in een hoekje had een kakkerlak de moed om uit zijn holletje te kruipen. Het logge beest waggelde langs een plint. Het beest had de aandacht van de soldaat getrokken, die het insect met een wrede grijns met zijn ogen volgde. Opeens kwam de soldaat tot leven en met een vlotte en geroutineerde trap van zijn laars hielp hij het insect naar de andere wereld. De soldaat gluurde direct weer naar Jos, die net deed alsof hij niets gezien had.

Hij wiste het zweet van zijn voorhoofd. Verdraaid nog aan toe. Daar was die bromvlieg ook weer. Nu wilde dat mormel bij hem over zijn hoofd lopen. Jos zwaaide wild met zijn armen en sprong toen op en rende gefrustreerd terug naar de balie. “Hoe lang moet ik nog wachten?” zei hij met overslaande stem.

De beambte keek hem niet begrijpend aan en zei toen. “Sorry, boss. Auto import very, very moeilijk.”

Geld spreekt, Jos.

“Luister…” zei Jos gejaagd, “Hoe snel kan je het regelen als ik je nog zo’n biljet geef?”

De man dacht even na en stak toen drie vingers in de lucht.

“Drie?” Jos gromde, maar trok drie biljetten uit zijn portefeuille.
De man nam ze met een voldane zucht in ontvangst en pakte nogmaals de telefoon. Hij luisterde even en mompelde iets overstaanbaars. Toen kwakte hij de hoorn weer op de haak.

“Ok,” zei hij aanmoedigend. “Almost klaar.”

Jos zuchtte. “Gelukkig.”

De man pakte een blanco velletje printpapier uit zijn kopieerapparaat en legde het voor hem neer.

“Naam?” vroeg hij bars aan Jos.
“Jos. Paalstra.”
Adres?”
“Malunga Road 65 East.”

De man knikte en schreef de informatie op het velletje.

“Hier tekeneh,” zei hij en schoof het velletje naar Jos die zijn handtekening op het bijna lege papier zette. Toen trok de beambte een bureaulaadje open en pakte er een stempel en een groot stempelkussen uit. Met een grote klap stempelde hij het papier en keek Jos grijnzend aan. “All klaar. Just betaleh.”
“Betalen?” vroeg Jos woedend.

“Natuurlijk,” antwoordde de man en liet 7 vingers zien.

“Zeven?” bulderde Jos. “Ben je nou helemaal…”
De man met het machinegeweer keek op en kwam een stap dichterbij.

“Natuurlijk… Betalen,” zei Jos. “Geen probleem hoor.”

Hij trok 7 biljetten uit zijn portefeuille en nadat de beambte ze zorgvuldig had nageteld overhandigde hij Jos het formulier.

“You go met dit naar depot. Vragen naar Ali.”

Toen ging de telefoon.

De beambte pakte de hoorn weer van de haak. Nadat hij even geluisterd had schudde hij bedroefd zijn hoofd en legde de hoorn weer terug op het toestel.

“Not see Ali. Niet nodig,” zei hij zacht.

“Hoe zo dan?”

“U toch have glimmende Volvo?” zei de beambte.

Jos knikte.

“Glimmende Volvo gestolen. Not meer in depot. Niemand knows waar is Volvo.”

“Wat?” Jos begon te trillen en te beven. “Mijn auto gestolen. En… wat nu?”

De man schudde zijn hoofd. “Not mijn schuld. Slechte boeven hebben gedaan.

Jos voelde de neiging opkomen om de beambte vast te grijpen en hem door elkaar te schudden, maar hij herinnerde zich nog net op tijd dat de soldaat hem nauwlettend in de gaten hield. Tel tot tien Jos. Tot tien.

“Ik kan make telefooncall,” zei de beambte weer, terwijl hij twee vingers in de lucht stak, We have goede politie. You wachten…”

Maar Jos liep boos en hijgend naar de deur.

“Auto import is very, very moeilijk in Adibela, boss,” riep de beambte hem nog na, maar Jos had er geen oren meer na. Op straat vroeg hij de eerste de beste voorbijganger of die hem kon vertellen waar er ergens een reisbureau was. Jos wilde nog maar een ding. Terug naar Oegstgeest.

De man perste zijn lippen samen en keek hem onderzoekend aan. Toen stak hij een vinger in de lucht…